Fragment uit Keizer Frederik II. Een moderne wetenschapper uit de middeleeuwen

HET VALKENBOEK, DE ARTE
VENANDI CUM AVIBUS
Inleiding
De Arte is een lange aaneenschakeling van feiten, observaties, gevolgtrekkingen
en aanbevelingen. Het boek bestaat uit 600 folio’s
en de originele Latijnse tekst telt ongeveer 180.000 woorden. Er is
een Engelse, een Franse, een Duitse en een Italiaanse vertaling uit
het Latijn beschikbaar.1 Een Nederlandse vertaling uit het Latijn
ontbreekt tot op heden. De Franse Engelse en Italiaanse vertaling
zijn in de boekhandel verkrijgbaar. De Duitse vertaling is met enige
moeite nog antiquarisch beschikbaar. De lezer moet wel over de
nodige motivatie beschikken want de genoemde vertalingen van De
Arte omvatten ongeveer 600 pagina’s tekst en het is bovendien niet
direct een boek dat ‘lekker wegleest’.
Bij de Italiaanse en de Duitse vertalingen staat op de linker
bladzijde de Latijnse tekst en staat op de rechter de vertaling in
het Italiaans of Duits. Dit heeft een aanzienlijke meerwaarde boven
de eentalige versies. De tweetalige uitgave biedt de lezer, die
dan wel het Latijn als in onderhavig geval het Italiaans moet
Keizer Frederik II heersen, namelijk de mogelijkheid de kwaliteit van de vertaling te
beoordelen. Daarbij valt op dat in het Latijn de uitspraken soms
krachtiger en kernachtiger zijn dan in de vertalingen tot uitdrukking
kan worden gebracht. Een zin van een paar woorden Latijn
blijkt soms veelzeggender dan de vertaling in een moderne taal,
ondanks dat die veel meer woorden telt. De Franse, Duitse en Italiaanse
vertalingen staan als zorgvuldig bekend. De Engelse vertaling
geldt taalkundig als minder nauwkeurig. De inhoudelijke
weergave is echter correct.
De Arte bestaat uit de Proloog, gevolgd door zes boeken. Boek
I gaat over de toenmalige kennis over de ornithologie waaraan
Frederik een aantal nieuwe inzichten toevoegt en de theoretische
basis vormt van De Arte. Leefwijze en anatomie van vogels worden
in detail besproken. Niet alleen die van roofvogels maar ook die van
de vogels die als prooi kunnen dienen. Dit boek is in wetenschappelijke
zin het interessantst en bevat tal van nieuwe observaties en
denkbeelden. De boeken II-VI zijn gericht op de praktijk van de valkerij
en geven een nauwkeurige beschrijving van de africhting van
de valk en de jacht.
In Boek II staat Frederik uitgebreid stil bij de grondslagen van de
valkerij. Hoe bemachtigt men een goede valk, hoe deze te verzorgen
en geschikt te maken voor de valkerij? In Boek III behandelt hij de
hulpmiddelen die bij de africhting van de valk worden toegepast.
Dat zijn onder meer de loer, waarmee de valk kan worden gelokt terug
te keren naar de valkenier, het valkenkapje, maar ook een goede
jachthond. Boek IV uit De Arte gaat over de jacht met de geervalk op
de kraanvogel. Een kraanvogel is wat kracht en grootte betreft de
verreweg meerdere van de geervalk. In de natuur zal deze nooit een
kraanvogel durven aanvallen. Frederik geeft aan op welke manier
een geervalk zodanig getraind kan worden dat deze de strijd met de
kraanvogel toch durft aan te gaan. Daar komt veel bij kijken, al zullen
we zien dat enige diervriendelijkheid ver te zoeken is. Dan volgt
Boek V over de jacht met de sakervalk op de reiger en ten slotte Boek
VI dat over de jacht met de slechtvalk op watervogels gaat. De laatste twee boeken hebben de nodige overlap met Boek IV, waarschijnlijk omdat de boeken ook als afzonderlijk werk moesten kunnen worden gelezen.

Hoewel Frederik op veel plaatsen in De Arte blijk geeft van respect
en bewondering voor dieren, is de omgang met dieren ook
soms ronduit wreed en afschuwwekkend te noemen. Dat geldt
vooral voor de methoden die worden toegepast bij het aanleren van
valken om grote vogels, zoals kraanvogels en reigers, te grijpen. Iets
dat zij in wilde staat doorgaans niet zullen doen.

Proloog
De proloog ‘van het boek over de jacht met roofvogels, geschreven
door de hoog edele en zeer geleerde Keizer Frederik II’ zou niet hebben
misstaan als inleiding van een hedendaags universitair proefschrift.
Als lezer van de 21e eeuw is het moeilijk te bevatten dat dit
is geschreven in een periode die wij enigszins neerbuigend de ‘donkere middeleeuwen’ noemen. Toen ik zelf de tekst voor het eerst las
kon ik nauwelijks geloven dat de tekst al bijna achthonderd jaar geleden
was opgetekend. Opzet en inhoud doen verrassend eigentijds
aan. In een heldere, compacte stijl deelt de auteur de lezer de reden,
het doel en de manier van aanpak van zijn werk mee.
De opbouw van de proloog hanteert een strakke logica die ontleend
is aan Constantinus Africanus van de School van Salerno. Achtereenvolgend
komen aan bod: de motivatie om het boek te schrijven,
de bedoeling, de schrijfstijl, de naam van de auteur, het nut en
de titel van het werk en de gevolgde indeling. Kort en bondig worden
het motief, de bronnen en de toegepaste methode gepresenteerd. In
de rol van wetenschapper onderwerpt hij zich simpelweg aan de regels
die daarvoor gelden. Centraal in de wetenschap staat waarheidsvinding
en de betrouwbare overdracht van die waarheid.
In De Arte wendt de keizer zich op een laagdrempelige manier
tot de lezer. Uit het werk spreekt een grote persoonlijke betrokkenheid
van Frederik bij de valkerij. Bij zijn beroemde wetboek de Constitutiones (van Melfi) is dat minder het geval. Dit voor de middeleeuwen baanbrekende wetboek kent een verheven, moeilijktoegankelijk woordgebruik en een gekunstelde stijl. Hierspreekt een persoon in zijn rol als koning en keizer, die hoog verheven staat boven zijn onderdanen. Deze tekst is grotendeels van
de hand van de hoogste jurist van het rijk en vertrouweling van
de keizer Piero della Vigna. Uiteraard deed hij dat in opdracht en
met instemming van de keizer. Maar diens directe betrokkenheid
bij het vervaardigen van het werk zal beperkt zijn geweest. In het
wetboek verloopt de communicatie volgens een top-downmodel.
Dit in tegenstelling tot het Valkenboek, waarin een gedreven en
bevlogen auteur zich in een heldere, compacte stijl tot zijn medevalkeniers
richt.
En bevlogen was Frederik. Zijn enorme betrokkenheid bij de
valkerij blijkt zonneklaar uit stukken uit het keizerlijke archief van
de periode 1239-1240. Van het gehele archief is slechts een klein gedeelte
dat enkele maanden bestrijkt, bewaard gebleven. Al het overige
ging verloren. Veertig stukken van Frederik uit die periode gaan
over de valkerij en daarin worden vijftig van zijn valkeniers bij naam
genoemd. Hij wil van alles weten wat met de valkerij te maken heeft
en geeft allerlei opdrachten. Zo vraagt hij vanuit Cremona aan valkenier
Enzo hoe het met de valken gaat die op Malta zijn gevangen.
Kort na Kerstmis vraagt hij om hem zijn sakervalk Saxo en ‘een andere
goede valk’ te brengen. Een komische noot vormt nog de boodschap
aan zijn valkenier Sardus waarin Frederik hem schrijft dat hij
vette kraanvogels gaat jagen. De poten zal hij als lekkernij voor hem
bewaren, maar gebiedt hem om dan wel snel te arriveren. In mei
stuurt de keizer negentien valkeniers naar Malta om roofvogels te
vangen. Waarschijnlijk zal het – mede gezien de tijd van het jaar –
gegaan zijn om jonge vogels die uit het nest werden gehaald. Verder
geeft hij opdracht om kraanvogels te vangen om die te gebruiken bij
de africhting van zijn valken.

De proloog begint als volgt:

‘Het boek is geschreven op het dringende verzoek van een
groot man om de vele fouten van eerdere auteurs, die de
kunst van de valkerij niet beheersten en die leugenachtige
en slecht geschreven boeken kopieerden, recht te zetten
zodat toekomstige generaties over waarheidsgetrouwe en
zorgvuldig verzamelde informatie kunnen beschikken.’
Wie die ‘grote man’ is, blijft tot op heden gissen. In de literatuur
passeren de namen van Michael Scotus, Frederiks zoon Manfred en
Malik al-Kamil, de sultan van Caïro, genoemd. Voor ieder van deze
suggesties zijn evenveel pro’s als contra’s aan te voeren. De zinsnede
dat het boek pas was geschreven na een ‘dringend verzoek van
een groot man’, is een formulering die vaker in de proloog van een
middeleeuws boek voorkomt. Deze is op te vatten als een uiting van
een wellevende bescheidenheid van de auteur. Frederik beklaagt
zich over eerdere schrijvers, die door hun foute weergaves de edele
kunst van de valkerij tekortdoen. We lezen dat die slechts slaafs de
misleidende en ontoereikende argumenten van eerdere, eveneens
ondeskundige, auteurs kopieerden. Welke schrijvers zou Frederik
hier kunnen bedoelen? Waarschijnlijk gaat het om de Britse Adelard
van Bath met De avibus tractatus en werken die in Frederiks tijd
in Sicilië de ronde deden: de eerdergenoemde Dancus rex met daaraan
verbonden de Guillelmus falconarius.
Frederik draagt zijn werk op aan degenen om hem heen als een
nalatenschap; als een dienst aan de mensheid. Iets wat wetenschap
hoort te zijn, zo vinden wij ook heden ten dage. Hij vindt dat een
wetenschapper dienstbaar moet zijn aan de samenleving. Toekomstige
generaties moeten ervan kunnen profiteren, een voor in de
middeleeuwen hoogst ongebruikelijk standpunt.
De proloog vervolgt met:
‘Wij koesterden al dertig jaar het voornemen om het boek
te gaan schrijven. Wij hebben dit steeds uitgesteld omdat
wij onze kennis nog niet voldoende achtten, maar omdat wij niet hebben vernomen dat iemand ons is voorgegaan
met het behandelen van de inhoud van ons boek, waarvan
enkele aspecten aan sommigen bekend waren, maar die
niet volgens de regels van de kunst zijn doorgegeven,
hebben wij het geschreven. Het is waar dat bepaalde takken
van de kunst met jagen met vogels en met name de praktijk
daarvan, al door andere schrijvers zijn behandeld en zijn
gepubliceerd, maar dan wel met beklagenswaardig gemis
aan brede kennis over het onderwerp.’
In deze passage werkt Frederik – die met ‘Wij’ de pluralis majestatis
in De Arte zich tot de lezer richt – zijn motivatie verder uit en komt
de ethiek van de wetenschap aan bod. Wetenschapsbeoefening mag
niet lichtvaardig zijn. Pas als de wetenschapper voldoende kennis
heeft over het onderwerp, is hij gerechtigd die te verspreiden. Zelfs
als dat proces wel dertig jaar heeft moeten duren. Hij wil geen kennis
presenteren die al door anderen openbaar is gemaakt. Pas als hij
dat geverifieerd heeft, neemt hij de pen ter hand. Uit zijn houding
als wetenschapper spreekt bescheidenheid. Ook hij – keizer of niet
– moet voldoen aan de eisen die voor iedere wetenschapper gelden.
Die bestaan uit liefde voor de waarheid en originaliteit. De proloog
is daarmee niet alleen in methodologische maar ook in ethische zin
opzienbarend.
Duidelijk is dat de wetenschapper Frederik een volkomen andere
persoon is als de keizer Frederik. In de eerste hoedanigheid schikt
hij zich – met liefde – naar de regels die naar zijn mening voor iedere
wetenschapper moeten gelden. Het contrast met de houding
van Frederik als keizer is groot. Zoals eerder duidelijk werd, was hij
in die hoedanigheid nauwelijks benaderbaar voor gewone stervelingen
en gedroeg hij zich als een divus, een halfgod. Op hofdagen
troonde hij op een hoge zetel. Zelf voerde hij niet het woord maar
liet dit over aan een van zijn hoogste beambten.
In de laatste zin van het citaat hekelt hij de in zijn ogen tekortkomende
kwaliteit van de geschriften over het onderwerp.

Dan volgt er een beschrijving van de gehanteerde methodologie
bij zijn onderzoek. Hij gaat daarbij af op zijn eigen ervaring en kennis
maar raadpleegde ook andere deskundigen want:
‘Zo ontboden wij, niet zonder grote kosten te maken, ook
vanuit verre streken, de meesters in de kunst van de valkerij.
Wij leidden hen rond op onze domeinen, namen datgene
wat zij beter wisten dan wij over en sloegen de herinneringen
aan hun woorden en daden in ons geheugen op.’
In deze twee zinnen worden kernachtig de methode van kennisvergaring,
de weging van de waarde van de verschillende observaties
en de wijze waarop die werden vastgelegd, weergegeven. Ook hier
weer zien we een uiting van de eerdergenoemde bescheidenheid die
Frederik als wetenschapper zo siert. Hij beseft dat anderen hem in
kennis kunnen overtreffen.
Weer een houding die hem als keizer volkomen vreemd was.
Deze passage toont dat Frederik de kennis en vaardigheden van de
ontboden deskundigen kritisch weegt. Alleen wat bij deze weging
iets aan zijn kennis toevoegt, onthoudt hij. Dit proces van weging
bij oordeelsvorming wordt pas veel later door Immanuel Kant verder
uitgewerkt. Daarmee brengt hij onder woorden wat Immanuel
Kant (1724-1804) eeuwen later uitvoerig beschrijft in zijn Kritik der
Urteilskraft en daarin gaat hij aan hem vooraf.
Aansluitend vermeldt hij nog dat hoewel hij ‘doorlopend in beslag
werd genomen door heikele en bijna niet uit te leggen landsproblemen’,
hij zijn project niet langer heeft uitgesteld. Hier toont
hij volhardendheid en neemt hij zijn verantwoordelijkheid als
wetenschapper. Het is inderdaad zo dat ten tijde dat Frederik het
boek schreef, het conflict met de Noord-Italiaanse steden een hoogtepunt
en voor Frederik zelf, een dieptepunt bereikte met het voor
hem, eerdergenoemde, jammerlijk verlopen beleg van de Noord-
Italiaanse stad Parma.
Aristoteles, de grootste autoriteit op het gebied van Natuurlijke
Historie (biologie) is de enige voorgaande auteur die Frederik bij
naam noemt. De ‘leugenachtige’ boeken die in de eerste tweehonderd
jaar van het millennium over het onderwerp waren verschenen,
laat hij volledig buiten beschouwing. Frederik bewonderde
Aristoteles maar volgde hem niet blind. Dat blijkt wanneer hij zijn
betoog vervolgt met:
‘Wij ontdekten door moeizaam vergaarde inzichten dat de
bevindingen van Aristoteles, in het bijzonder de beschrijving
van sommige vogels, niet altijd betrouwbaar zijn. Wij
willen de ‘Prins onder de Filosofen’ niet strak volgen: hij
had geen praktische ervaring met de valkerij, een kunst die
ons altijd veel genoegen heeft verschaft en die wij in detail
kennen. In zijn werk Liber animalium zijn veel verwijzingen
naar bevindingen van andere auteurs die hij niet verifieerde,
en die op hun beurt niet spraken vanuit eigen ervaring.
Overtuigende waarheid vindt nooit zijn oorsprong in “het
horen zeggen”.’
Daar kon Aristoteles het mee doen! Maar kennelijk zijn voor Frederik
de principes van wetenschapsbeoefening heilig. Zelfs de ‘Prins
onder de Filosofen’ mag en kan zich daar niet aan onttrekken. Ook
hier weer een stukje wetenschapsethiek: hij schrijft dat een wetenschapper
zich kritisch dient op te stellen. Voorop staat diens liefde
voor de waarheid. Die moet zo sterk zijn dat zelfs meningen van
autoriteiten opzij worden geschoven als die volgens de onderzoeker
niet juist zijn. Daarmee neemt hij impliciet nadrukkelijk afstand
van de tot dan toe heersende traditionele opvatting dat de mening
zoals weergegeven door de autoriteit van dogma of traditie, prevaleert
boven eigen observaties.
Opmerkelijk is dat hij in de proloog de School van Salerno met
Constantinus Africanus niet als bron noemt. Naar de reden hiervan
kan worden gegist. Beschouwt hij Salerno met de vooraanstaande
plaats die de medische school binnen het koninkrijk Sicilië innam,
als een eigen verworvenheid waardoor het voor hem als keizer niet
nodig was die te vermelden?
Het wetenschappelijk besef van Frederik komt ook tot uiting in
zijn vermogen om zijn inzichten te relativeren. Zo schrijft hij dat hij
beseft dat zijn kennis niet volledig is. Hij vraagt daarom aan andere
deskundigen aanvullend onderzoek te doen en om hun kennis met
hem te delen omdat er zich steeds nieuwe raadsels aandienen. De
passage hierover is als volgt:
‘Er zijn veel boeken geschreven, maar slechts heel weinig
over deze kunst, dat geeft aan dat de kunst moeilijk grijpbaar
is. Wij kunnen bevestigen dat enkele edelen, die
minder bezet zijn dan wijzelf, en die zich intensief bezighouden
met deze kunst, met behulp van dit boek een
betere versie zouden kunnen schrijven, vooral over nieuwe
en ingewikkelde zaken, die zich zonder ophouden op dit
gebied voordoen.’
Ook hier stelt hij zich op een hedendaagse manier op en laat hij
de bijna goddelijke houding die hij als keizer aanneemt, volledig
varen. Op een bijna deemoedige wijze erkent hij dat er mensen zijn
die hem kunnen verbeteren. Hij nodigt hen uit, na kennis te hebben
genomen van zijn boek, zelf hun bevindingen met aanvullingen en
verbeteringen op schrift te stellen. Immers de wetenschap staat niet
stil. Tegelijkertijd betekent deze uitspraak dat Frederik aanneemt
dat dé waarheid niet bestaat. De waarheid is altijd in beweging en
is in zekere zin de waan van de dag. Dit inzicht staat in conflict met
het dogma. Daar is de ‘Waarheid’ onveranderlijk, iets dat voor eens
en al door God aan de mensheid is geschonken. Volgens de wetenschapper
Frederik past de waarheid zich dus aan bij de zich steeds
wijzigende inzichten.
Aan het einde van het eerste deel van de proloog richt de auteur
zich nog eens tot de (geadelde) lezer met de volgende tekst:
‘Wij vragen evenwel iedere edelman die uit de aard van zijn
adeldom aandacht aan dit boek zal schenken, het door
een ter zake kundige geleerde te laten lezen en te laten
uitleggen en dat hij mededogen heeft met datgene wat
minder goed is uitgedrukt. Inderdaad, zoals ook met andere
kunsten het geval is, kent ook de onze specifieke termen.’
Nogmaals vraagt hij op een enigszins aandoenlijke manier om
begrip van de lezer. Ook hij kan het niet helpen dat het Latijn niet
altijd toereikend is om alles wat hij wil overdragen, juist weer te geven.
Ook doet hij ons beseffen dat in die tijd veel edelen het Latijn
niet beheersten en de tekst door een latinist moesten laten voorlezen
en uitleggen. Dit laatste behoeft geen verbazing te wekken. Het
kunnen lezen (en schrijven) van Latijn was voorbehouden aan een
selecte groep. Die bestond voor het grootste deel uit geestelijken
en verder hofdignitarissen, rechtsgeleerden en notarissen. Voor de
adel, die zich vooral toelegde op bedrevenheid in het hanteren van
de wapenen en het beheren van hun landgoederen, had het beheersen
van het Latijn geen prioriteit.
Overigens waren het uitsluitend de edelen die zich de luxe van
de valkerij konden permitteren. De jacht in het algemeen was louter
iets voor de ‘edelen en machtigen’. De valkerij gold als de meest
exclusieve vorm van jacht en was voorbehouden aan de leden van de
hoge adel, die meestal machtig en vermogend waren. Als jager konden
zij tonen uit het goede hout te zijn gesneden. Een vorst die koen
te paard gezeten met pijl en boog een hert wist te doden of met getrokken
zwaard op een beer af ging, maakte daarmee aannemelijk
dat hij ook op het slagveld zijn mannetje zou weten te staan. Zijn
onderdanen konden zich veilig bij hem voelen.
De jacht bood de heerser ook een uitstekende mogelijkheid om
zijn macht en rijkdom voluit tentoon te spreiden. Wanneer een
vorst, omringd door edelen, hovelingen, een gewapend escorte en
een meute wild blaffende honden op jacht ging, was dat indrukwekkend
om te zien. Onderdanen konden zich vergapen aan de pracht
en praal die aan hun ogen voorbijtrok. De bedrevenheid van de
heerser in de jacht deed zijn aanzien meer dan goed. Niet alleen was
de jacht een bijzonder kostbare aangelegenheid, er waren ook grote
jachtrevieren bij nodig. Deze terreinen werden scherp bewaakt,
want het was een privilege van de machtigen dat inhield dat gewone
stervelingen er respect en ontzag voor dienden te hebben. Op stroperij
stonden hoge straffen.
Niettemin was er een voordeel voor iedereen, zo schrijft Frederik:
dankzij de jacht konden zowel de adel als de helpers die daarbij van
dienst waren, de natuur leren kennen en in het geval van de valkerij,
kennis over vogels vergaren. De proloog zegt hierover:
‘Het boek zal vooral nuttig zijn voor de edelen en de machtigen
zodat zij hun zorgen kunnen afwisselen met de kunst
van de valkerij. Ook arme en mindere mensen die niet tot
de adel behoren, die als helpers bij de kunst fungeren,
worden door hun meesters in hun levensonderhoud voorzien.
Beiden (meesters en dienaren) zullen door deze praktijk
de natuur van de vogels leren kennen.’
Een volgende passage is van een heel andere orde. Nu spreekt niet
de jager maar de wetenschapper:
‘In het Latijn hebben wij niet in alle gevallen de juiste
woorden aangetroffen, zodat we onze toevlucht hebben
genomen tot woorden die onze bedoelingen het beste
benaderden en waardoor deze kunnen worden begrepen.’
Uit het bovenstaande spreekt, ook nu weer, een zekere bescheidenheid.
Zijn tekst kan soms onduidelijk zijn en is mogelijk voor tweeërlei
uitleg vatbaar. Hij vraagt om begrip van de lezer en voert als
excuus aan dat het Latijn niet altijd over de juiste termen beschikt
om alle gebruiken en voorwerpen van de valkerij correct te benoemen.
Dan volgt een uitleg over de gevolgde systematiek. Theorie, de
toepassing en de praktijk van de valkerij zullen aan bod komen.
Eerst wordt kennis in het algemeen van zowel theorie als praktijk
behandeld. Dan volgen de bijzonderheden.
‘We hebben onze thesis ‘De kunst van het jagen met vogels’
ingedeeld in twee hoofdsecties. Het eerste deel is beschouwend
en geeft de theorie weer. Het tweede verschaft een
beeld van de praktijk zoals die uit de ervaring blijkt. Een
derde subsectie behandelt van een aantal onderwerpen
zowel de theorie als de praktijk. Onze ware bedoeling is om
met dit boek over de jacht met vogels de dingen te tonen
zoals zij zijn, en zo de zekerheid van een kunst te verschaffen,
waarvan tot op heden niemand de wetenschap noch
de uitvoering beheerst.’
De hiervoor cursieve passage geldt als de meest kernachtige uitspraak
van Frederik, waarin hij op een bijna banale, maar tegelijkertijd overduidelijke
manier de essentie van empirische wetenschap weergeeft.
Frederik ziet zijn werk als een ‘ars’, een ‘kunst’ in de zin van de ‘zeven
vrije kunsten’ en daarmee dus als wetenschap. Natuurlijk hadden
bouwers en jagers in de middeleeuwen geen minder scherpe blik dan
nu het geval is, maar wetenschappers hadden weinig oog voor de wereld
van feiten en materie. De betekenis van het waargenomene was
belangrijker dan de vorm ervan. Het was dus vooral het idee dat telde.
In onze tijd is dat moeilijk voorstelbaar.
Een voorbeeld van deze denkwijze levert onder meer Albertus
Magnus. Hij was van mening dat de ophangsnoeren (chalazae) van
de dooier van het kippenei het sperma van de haan betroffen. Nu
hebben die structuren inderdaad enige gelijkenis met menselijk semen,
maar niet met het zaadvocht van vogels. Hoezeer Albertus zijn
waarneming in zijn idee ‘perste’ blijkt uit zijn bewering dat de chalazae
in een onbevrucht ei zouden ontbreken, hetgeen natuurlijk
volstrekte onzin is. Frederik legt er dus de nadruk op dat hij slechts
weergeeft hoe de dingen zich in feite aan hem hebben voorgedaan:
ea que sunt sicut sunt: de dingen te tonen zoals ze zijn, oftewel ‘het
is zoals het is’. Dit zinnetje is waarschijnlijk de meest geciteerde
uitspraak van Fredrik II. In een paar woorden geeft hij het credo van
zijn opvatting over wetenschap weer.
Dan geeft de keizer nog aan in welke vorm hij zijn werk heeft gegoten,
voorziet dit van zijn keurmerk en bevestigt eens nadrukkelijk
zijn auteurschap:
‘Tot op heden heeft de valkerij het zowel zonder artistieke,
als wetenschappelijke weergave moeten stellen. Het
medium dat wij daarvoor gekozen hebben is proza met een
proloog gevolgd door een tekst. Deze laatste bestaat uit
uitweidingen en analyses, waaronder veel beschrijvingen,
vergelijkingen die stilstaan bij overeenkomsten en verschillen,
onderzoek naar oorzaken en talrijke andere redeneringen
die de lezer duidelijkheid verschaffen. De schrijver van
deze verhandeling, de verheven Frederik II, Rooms keizer,
Koning van Jeruzalem en Sicilië schept behagen in wijsheid
en heeft daarbij een filosofische en speculatieve instelling.’
Met de uitspraak ‘het is zoals het is’ gaat Frederik lijnrecht in tegen
de filosofie van Aristoteles, waarin het idee of doel centraal stond.
Het onderstreept het revolutionaire karakter van de zienswijze
van Frederik met zijn uitspraak: ‘ea que sunt sicut sunt’ en hoe hij
de dogmatisch ingestelde paus en curie hiermee tegen de haren
streek. De conclusie kan zijn dat Frederik met zijn De Arte het dogmatische
denken op zijn fundamenten deed schudden en in feite
opzijschoof. Bovendien nam hij met zijn opvatting afstand van de
denkwijze van Aristoteles, die in de middeleeuwen een onaantastbare
reputatie genoot.
In afwijking van Aristoteles stelde Frederik empirie boven teleologie,
zoals blijkt uit een passage in De Arte die gaat over de vorm
van de klauwen bij roofvogels. Aristoteles is van mening dat die
krom en puntig zijn omdat zij gebruikt worden om het doel dat roofvogels
nastreven – het vangen en doden van prooidieren – te kunnen
realiseren. Frederik, echter, zegt dat omdat de klauwen van roofvogels
geschikt zijn voor het vangen en doden, deze daartoe overgaan.
Frederik duidt zijn observaties in het ‘hier en nu’, terwijl Aristoteles
zijn waarnemingen in het perspectief van een ontwikkeling plaatst.
Frederik staat daarmee ook lijnrecht tegenover Thomas van Aquino
en Albertus Magnus, die door velen als de grootste middeleeuwse
filosofen worden beschouwd. Zij weken nauwelijks af van de opvattingen
van Aristoteles en probeerden een synthese tot stand te brengen
tussen de christelijke dogmatiek en het denken van Aristoteles
en zo het klassieke denken te verzoenen met de christelijke leer.
Dan geeft Frederik aan dat zijn werk een wetenschappelijke allure
heeft:
‘De discipline hoort onder de natuurwetenschap, omdat zij
de natuur van de vogels belicht, hoewel die in een bepaalde
mate kan worden gewijzigd door de methoden van africhting
die dit boek verschaft.’
Hij bezigt hier de term ‘natuurwetenschap’. De Latijnse tekst
spreekt van ‘scientiae naturali’. Het zou kunnen dat hier voor het
eerst in de middeleeuwen de term natuurwetenschap wordt gebruikt.
Verder komen in het voorgaande een tweetal belangrijke
begrippen aan bod, namelijk ‘natuur’ en de mededeling dat door
ingrijpen van de mens wijzigingen in de natuur kunnen worden teweeggebracht.
Het begrip natuur is al eerder genoemd in het hoofdstuk
over de geschiedenis van de wetenschap. De natuur was door
God bedoeld om het scheppen gestalte te geven. In deze visie is de
natuur een uitvoerende macht, die handelt met de instemming en
betrokkenheid van God. In De Arte heeft ‘natuur’ twee betekenissen.
De eerste betekenis staat voor het totaal van eigenschappen zoals
bouw, leefwijze en verrichtingen van een individu, in het geval van
De Arte, een vogel. De andere omschrijft de natuur als ordende en
scheppende macht die Frederik echter niet, zoals bij tijdgenoten
gebruikelijk was, direct op God betrok.
Ook heeft hij een andere opvatting van het sturend principe dan
Aristoteles hanteert. Die ziet de geest als leidraad bij de ontwikkeling
van de natuur, terwijl Frederik het heeft over een aparte entiteit,
een Natura generans, een scheppende en barende natuur. De natuur
zorgt ervoor dat dieren zo zijn gebouwd en toegerust dat zij zich optimaal
kunnen verwezenlijken. Daarom voorziet de natuur vogels,
om te kunnen vliegen, van vleugels. Om te kunnen zwemmen hebben
watervogels zwemvliezen tussen de tenen. De natuur voorziet
ook in het in stand houden van de soorten en zorgt er daarom voor
dat dieren plezier beleven aan de paring. De natuur bewerkstelligt
aldus zowel het voortbestaan van het individu als van de soort. Het
idee van een scheppende natuur was niet nieuw. Voortbouwend op
de visie van Aristoleles onderkenden natuurfilosofen uit de twaalfde
eeuw zoals Bernardus Silvestris een scheppende natuur. Die stond
wel, zoals eerder vermeld, onder een goddelijke supervisie. Frederik
spreekt ook van een vormende scheppende natuur maar noemt God
niet als een bepalende en sturende macht.
Opmerkelijk is dat Frederik naast een consequente toepassing
van de empirisch descriptieve wetenschapsbenadering ook waarheidsvinding
probeerde te verkrijgen door het experiment. Een aantal
van zijn experimenten is bekend. Zo was er een dispuut of gieren
nu op zicht hun aas vonden of dat zij afgingen op de reuk van kadavers.
Hij ving gieren en naaide – zoals dat ook bij de africhting van
valken gebeurde – de oogleden dicht. Daarop kon hij vaststellen dat
de gieren een stuk rottend vlees niet konden vinden. Zijn conclusie
luidde dat gieren hun ogen gebruikten om aas te vinden en niet hun
neus.
Een ander voorbeeld betreft de vraag of gieren nu wel of geen
roofvogels waren. Het criterium dat Frederik voor een roofvogel
aanlegde, was het doden van een levende prooi. In een proefopstelling
bleek vervolgens dat gieren, die een tijd geen voer hadden
gekregen en dus flink hongerig waren, hun voorgezette, levende
kuikens ongemoeid lieten en als voedsel versmaadden. Frederik
rekende gieren daarom niet tot de roofvogels.
Vervolgens krijgt de lezer in de proloog van De Arte nog een uitleg
over de gevolgde systematiek:
‘De indeling van het werk is duidelijk aangegeven. Iedere
afzonderlijke tekst begint met een introductie. Eerst worden
algemeenheden behandeld, gevolgd door bijzonderheden
die in hun logische volgorde worden gepresenteerd.’
De proloog sluit af met een inleiding op het hoofdthema van het
boek: de zorg en de africhting van de valk. Frederik wijst erop dat
de valkerij de meest verheven vorm van jagen is. Eerst geeft hij een
algemeen overzicht van de jacht en noemt de hulpmiddelen die bij
de jacht gebruikt kunnen worden. Dat zijn naast levenloze hulpmiddelen,
zoals pijl en boog, speer en strik, ook dieren die de jager
kunnen helpen. In dit verband noemt hij naast viervoeters zoals
honden, fretten, jachtluipaarden, otters, ook de roofvogels. Volledigheidshalve
wijst hij er nog op dat het gebruik van levenloze hulpmiddelen
kan worden gecombineerd met levende hulpen.
Viervoeters zijn gemakkelijker in te zetten bij de jacht omdat ze
langzamer, volgzamer en gemakkelijker onder controle te houden
zijn. Roofvogels, daarentegen, hebben een diepe afkeer van de mens
en daarmee een sterke neiging om, als dat maar enigszins kan, die
te ontvluchten. Een afgerichte valk is gemakkelijk in staat, eenmaal
onbereikbaar hoog in de lucht, weg te vliegen. Frederik illustreert
de schuwheid van roofvogels met erop te wijzen dat roofvogels hun
voedsel ver uit de buurt van mensen zoeken. Dit in tegenstelling tot
zaadeters. Die zoeken hun voedsel vaak in de buurt van mensen en
nestelen ook in hun nabijheid. Roofvogels, daarentegen, nestelen
op afgelegen plekken, zo ver mogelijk verwijderd van mensen.
Vanwege deze argumenten is de jacht met roofvogels edeler dan
die met viervoeters; ze zijn moeilijker te bereiken en onder controle
te houden. Een vogel die vrij in de lucht vliegt kan alleen worden
gevangen en afgericht dankzij de bedrevenheid, de scherpzinnigheid
en het intellect van zijn meester, de valkenier. Termen die in
het Latijn prachtig zijn samengebald in het woord ingenium. Iedere
keer als een valk het vrije luchtruim had gekozen kon die kiezen om
zich voor altijd te onttrekken aan zijn horigheid. De valkenier was
dankzij de valkerij als wetenschap in staat een valk, hoog in de lucht,
op commando zelfs weer op de arm te laten terugkeren als deze een
prooi had gemist.8 Bovendien kan roofvogels geleerd worden om
de jacht uit te voeren samen met een soortgenoot of een ander type
roofvogel, iets dat ze zonder de hulp van de africhting nooit zullen
ondernemen.
Frederik geeft hiermee een extra dimensie aan de africhting van
de valk. Namelijk, dat de valkenier, dankzij zijn intellect, de natuur
van de valk kan wijzigen. Een afgerichte valk doet dingen die hij van
nature niet zal doen. De ingreep van de valkenier in de natuur van
de valk heeft daarom iets wat neigt naar het bovennatuurlijke. Ook
dat laatste onderstreept in de ogen van Frederik het verheven karakter
van de valkerij.
Dan wijst Frederik er nog op dat alleen met grote toewijding en
onder de leiding van een meester het lukt om de kunst machtig te
worden. Alleen edellieden kunnen het zich veroorloven deze kunst
te beoefenen, want zij hebben de middelen en mogelijkheden. Hij
besteedt vervolgens aandacht aan de instelling waarover een valkenier
moet beschikken. Pas als deze zich grondig heeft verdiept
in de theorie en de praktijk, ligt het ware meesterschap binnen bereik.
Tevens zijn persoonlijkheid en karakter van de valkenier van
het grootste belang. Een juiste manier van uitvoering maakt dat de
jacht met de valk tot op hoge leeftijd met liefde kan worden voortgezet.
De kunst mag degene die hem beoefent nooit tot last worden.
Een leven lang moeten kennis en vaardigheden steeds verder worden
uitgebreid zodat de perfectie steeds meer binnen bereik komt.
Geen betere karaktervorming dan door de valkerij!
Frederik doet alles wat in zijn vermogen ligt om aan te tonen dat
de jacht met de valk de meest verheven vorm van jacht is. De ingeboren schuwheid van de roofvogel, diens huiver voor het menselijk gelaat
en zijn solitaire aard lijken africhting onmogelijk te maken. Vernuft,
bedrevenheid, tact en vasthoudendheid van de valkenier blijken
het ogenschijnlijk onhaalbare mogelijk te maken: een van oorsprong
wilde vogel doet wat de valkenier van hem verlangt. Hij grijpt de prooi
en keert terug naar zijn meester. Frederik hecht hieraan ook een symbolische
betekenis. Zoals de machtige regisseur, keizer Frederik II,
tot in de kleinste details vertrouwd is met de ars venandi, zo verstaat
hij op gelijke wijze de kunst om de volken en landen die hem als vorst
door God zijn toevertrouwd, te regeren. Evenals de valk die hoog in
de lucht vliegt, staan ook veel onderdanen niet onder direct bereik
van de keizer. Maar zoals de valkenier de valk weer in zijn nabijheid
doet landen, zo weet ook de keizer zijn onderdanen aan zich te binden.
Frederik verheft aldus de valkerij tot een model voor wijs leiderschap.
De valkenier kan alleen succesvol zijn in zijn edele bedrijf door
het toepassen van kennis, vastberadenheid en vernuft. Eigenschappen
die ook de ideale vorst kenmerken. Om de bovengenoemde redenen
droeg hij edelen die tot zijn hofhouding wilden toetreden, op
zich eerst als valkenier te bekwamen en te bewijzen. Pas nadat zij die
scholing hadden afgerond en zich een bekwaam valkenier toonden,
kon de keizer hen in zijn omgeving dulden.
Frederik zelf zal al op jonge leeftijd kennisgemaakt hebben met
de valkerij. Aan het hof van Palermo waren Arabische valkeniers actief,
die hem enthousiast moeten hebben gemaakt voor het bedrijf
met de valk.
Aanvankelijk werd de valkerij uitgeoefend door alle standen
maar was later steeds meer voorbehouden aan de adel. Het ideaalbeeld
van een adellijk persoon was een ridder, hoog te paard gezeten,
met een valk op de vuist en begeleid door een hazewindachtige
jachthond. De hazewindhond was ook het symbool van de hoogste
deugd van een ridder: die van trouw. Op veel grafbeeldhouwwerken
is aan de voeten van de overledene zo’n hond te zien. In de zevende
en achtste eeuw was de adel steeds meer privileges gaan opeisen.
Een daarvan was die van de jacht. Er werden grote jachtrevieren
opgezet, die exclusief aan hen voorbehouden waren. In de daaropvolgende
eeuwen ging dat spanningen opleveren tussen adel en
burgers omdat steeds meer jachtarealen moesten wijken voor landbouwgrond.
Alleen jacht op kleinere dieren, meestal met strikken,
vallen en netten, mocht door het ‘gemene volk’, dus door boeren en
burgerij worden uitgeoefend.
Ook het hert nam in de jacht een bijzondere plaats in. Het wordt
gezien als een edel koninklijk dier. In de Indo-Germaanse traditie
komt het voor als een dier met een mythologische betekenis. Er is
een sage waarin een groot wit hert met een prachtig gewei een leger
om een verraderlijk moeras leidt. Iedereen kent wel de legende van
Hubertus. Die ging op hertenjacht op de Dag des Heren. Het hert
dat hij op de hielen zat draaide zich plotseling om en toonde een
lichtend kruis tussen het gewei. Hiermee, zo luidde de vrome uitleg,
was het Christus zelf die de gedaante van een hert had aangenomen
om Hubertus tot inkeer te brengen.
De hertenjacht was voorbehouden aan de vorst en de hoge adel.
Het vroegst bekende boek hierover, De arte bersandi, van Guicennas
Theutonicus, gaat vooraf aan het werk van Frederik, die daar zeker
bekend mee was. In het vroegmiddeleeuwse werk van Chrétien de
Troyes krijgt de jacht van de vorst, in dit geval koning Arthur, een ritueel
karakter. Op pinksterdag verschijnt een wit, prachtig gebouwd
hert. Arthur, als koning, is voorbestemd om het te doden. Wanneer
hij die daad, omringd door zijn ridderschaar, uitvoert, bevestigt hij
daardoor zijn koninklijke waardigheid.
Met zijn De Arte voegt Frederik zich dus in een al langer bestaande
traditie. De vorst als hoofdpersoon in een edel bedrijf met
sacrale trekken. Het beeld van de roofvogel, fier, onverschrokken
en moeilijk tembaar, als symbool van de ridder die in de veldslag
onoverwinnelijk blijkt te zijn. Dit is in feite de kernboodschap van
de proloog die daarmee de toon zet voor de zes boeken die zullen
volgen. De boeken de we nu soms gedetailleerd, soms wat meer ‘in
vogelvlucht’ gaan bespreken.

Boek I

Algemene inleiding over watervogels, landvogels,
tussenvormen, alsook over roofvogels en niet-roofvogels
Het eerste boek van De Arte biedt een uitgebreid en gedetailleerd
overzicht van de ornithologie. Frederik begint het boek als volgt:
I, 1
‘In het Eerste Boek van het werk zullen Wij in het algemeen
alleen datgene behandelen, wat aan voorkennis nodig is
om de kunst van het jagen met vogels te kunnen uitoefenen.
Immers alle vogels, evenals andere dieren, hebben
hun eigen manieren waarop ze zich gedragen wat betreft
de paring, de geboorte, het zoeken van voedsel, het zich
verplaatsen om koude of warmte te ontvluchten of om
andere schadelijke invloeden te ontlopen. We behandelen
het zoeken van voedsel, en als dat van toepassing is, de trek
naar dichtbij of veraf gelegen streken, daartoe aangezet
door warme of koude jaargetijden. Ook de voortplanting,
de verschillende organen en waarvoor die dienen, de
eigenschappen van het verenkleed, de karakteristieken van
de vlucht, de manieren van verdediging en aanval, en de
rui van de veren, komen aan de orde. Deze onderwerpen
behandelen Wij op een beschrijvende manier en alleen in
zoverre het onze bedoeling dient recht te doen om degene
die zich met de valkerij bezighoudt, een brede algemene
kennis te verschaffen zodat deze beter begrijpt op welke
manier hij met roofvogels het beste niet-roofvogels kan
vangen. Alle andere bijzonderheden over de natuur van
de vogels kunnen worden opgezocht in het Boek over de
dieren van Aristoteles.’10
Frederik geeft dus aan dat hij alleen wil behandelen wat van toepassing
is voor het onderwerp. In de beperking toont zich de meester,
luidt immers het aloude adagium. Kort en zakelijk schetst hij de
onderwerpen die hij zal behandelen. De lezer, die meer wil weten,
verwijst hij naar het werk van Aristoteles.

I, 2-6 Classificatie van het vogelrijk
Het eerste onderwerp dat Frederik bespreekt, is een classificatie
van het vogelrijk. Hij deelt dat in volgens watervogels, landvogels en
een tussensoort zoals waadvogels en andere vogels die zich in of bij
het water ophouden. Er volgt een beschrijving van watervogels en
er wordt op gewezen dat watervogels zwemvliezen tussen de tenen
kunnen hebben en meestal in of in de directe nabijheid van water
verblijven. Landvogels – zoals plevieren en patrijzen – mijden het
water en nemen hoogstens af en toe een bad. Ook presenteert hij
nog een indeling in roofvogels en niet-roofvogels. Roofvogels onderscheiden
zich van andere vogels want:
‘Ze zien en horen zeer scherp, het zijn goede vliegers, maar
slechte lopers, ze hebben een afschuw van water, drinken
weinig en leven in het algemeen solitair. De jongen verblijven
maar kort bij hun ouders. Roofvogels hebben nog veel
andere eigenschappen waarin ze verschillen van de overige
vogels.’

I, 9-13 Over de kenmerken van roofvogels
De keizer behandelt dan een aantal van de eigenschappen van
roofvogels. Hij zegt dat ze warmer en droger zijn dan andere vogels.
11 Het onderscheidend kenmerk van roofvogels is dat deze zich
uitsluitend voeden met het vlees van prooien, die ze zélf gedood
hebben. Hij distantieert zich van Aristoteles, die ook gieren tot de
roofvogels rekent. Deze voeden zich met vlees van kadavers en ze
doden zelf geen prooien. Dus Frederik beschouwt gieren niet als
roofvogels, hoewel hun uiterlijk er veel gemeen mee heeft.
Roofvogels hebben een stevige, harde, scherpe haaksnavel,
klauwen met harde scherpe puntige nagels, een rond oog, en
korte poten met een krachtig ontwikkelde achterwaarts gerichte
teen. Het vrouwtje is groter dan het mannetje. Ze zien en
horen bijzonder scherp. Ze zijn uitstekende vliegers maar lopen
met moeite. Ze hebben een hekel aan water en drinken ook
weinig. De meeste tijd leven ze solitair en ze jagen dan ook hun
jongen snel weg.
Hij laat hier na, enig commentaar te leveren op het feit dat het
vrouwtje groter is dan het mannetje. Later in het boek komt hij daar
op terug. Gezien de symbolische waarde die in de middeleeuwen
aan dieren werd toegekend, is dat opmerkelijk.

I, 10-12 Verdere verschillen tussen roofvogels en niet-roofvogels

Een ander verschil met niet-roofvogels betreft het feit dat roofvogels
in hun eerste levensjaar maar één keer van veren wisselen.
Niet-roofvogels doen dat twee keer. Roofvogels hebben in
tegenstelling tot andere vogels een vast aantal slag- en staartpennen.
Ze hebben een hekel aan water omdat ze met hun
korte poten niet kunnen waden zoals reigers en ook niet kunnen
zwemmen omdat ze geen zwemvliezen tussen hun tenen
hebben. Ook hun verenkleed is slecht bestand tegen water. De
veren worden natter dan bij andere vogels en ook de klauwen
worden snel week. Dat zou ze hinderen bij het vliegen en met
zacht geworden klauwen kunnen ze geen prooi grijpen. Er is
één roofvogel die daarop een uitzondering maakt, namelijk de
visarend. Deze is beter voor het water toegerust en kan vissen
uit het water opduiken.

I, 13 De verschillende soorten en ondersoorten roofvogels
Soorten en ondersoorten van roofvogels worden in het tweede
boek en elders in dit werk nog nader besproken. Men moet
beseffen dat de verschillende auteurs eenzelfde vogel een
verschillende naam geven. Soms krijgen verschillende vogels
dezelfde naam. Dat maakt het lastig ze van elkaar te onderscheiden.
In verschillende streken kunnen soms dezelfde
vogelsoorten voorkomen maar ook kunnen er soorten zijn die
elders niet worden gezien. De Arte behandelt van iedere soort
een bepaalde ondersoort omdat het te veel zou zijn die allemaal
apart te bespreken.

I, 14-48 Hoe voeden vogels zich?
Voedsel speelt een centrale rol bij de africhting van de valk. Alleen
een hongerige valk zal willen jagen en bij zijn meester terugkeren.
Het vergaren van voedsel door vogels krijgt daarom uitgebreid aandacht
(afb. 5a, c-f). Frederik behandelt niet alleen hoe roofvogels
zich voeden maar ook hoe de vogels die hun mogelijke prooi kunnen
zijn, aan voedsel komen. De indeling van zijn classificatie volgend,
komen de verschillende categorieën vogels aan bod. Eerst zijn
de watervogels aan de beurt.
Sommige vogels, zoals aalscholvers en futen, eten uitsluitend
vis, maar andere watervogels zoals zwanen hebben uitsluitend
planten als voedsel. Er zijn eenden van een bepaalde soort die
zowel vissen als planten eten. Hoewel reigers niet zwemmen
en daarom geen echte watervogels zijn, eten ze wel vis.
Veel aandacht wordt besteed aan de dagindeling van watervogels en
op welke tijdstippen deze eropuit trekken om te gaan foerageren.
Ook of ze alleen gaan of juist in groepen. Dit is natuurlijk van groot
belang voor de valkenier om te weten op welk moment hij zijn valk
het best kan inzetten.

I, 49-52 Over de manieren waarop roofvogels aan voedsel komen
Roofvogels jagen altijd solitair. Ze slaan hun prooi met de klauwen,
onthoofden die en landen in een boom of op het land om die verder
uiteen te rafelen en op te eten. In het algemeen vliegen roofvogels
hoog zodat ze hun prooi goed kunnen opsporen. Ze beschikken over
een bijzonder scherp gezichtsvermogen. Roofvogels, zoals de torenvalk,
vangen kleine zoogdieren, zoals muizen, die ze op de grond
met hun klauwen pakken en doden. Iedere roofvogelsoort heeft een
voorkeur voor bepaalde prooidieren. Valken jagen voornamelijk op
water- en waadvogels. Andere zoals haviken en arenden hebben het
vooral gemunt op kleinere of grotere zoogdieren. Roofvogels jagen
alleen op andere roofvogels als hun normale prooidieren ontbreken.
Ze jagen daar waar ze hun prooidieren kunnen vinden. Ze zitten
graag op uitkijkposten.
Vogels die zich uitsluitend met graan voeden, hebben het
meest smakelijke en voedzame vlees en genieten daarom de
voorkeur van roofvogels.
En passant kraakt Frederik een paar kritische noten over Aristoteles,
die schrijft dat vogels die slecht kunnen lopen, goede vliegers
zijn. Dat is niet waar: futen kunnen maar over korte afstandjes vliegen,
maar lopen nog beroerder. Ook Aristoteles’ opvatting dat uilen
’s nachts vliegen omdat ze overdag niet goed kunnen zien, vindt
geen instemming. Volgens Frederik zien ze overdag even goed als ’s
nachts. De ware reden is volgens hem, dat ze overdag te veel worden
lastiggevallen door zwermen kleine vogeltjes, die een hekel aan uilen
hebben omdat die hun jongen wegroven.
I, 54-57 Over de vogeltrek
Een van de meest intrigerende passages uit De Arte, die in de originele
Latijnse tekst 5000 woorden telt, gaat over de vogeltrek. Frederik
doet een groot aantal nooit eerder beschreven waarnemingen.
Nauwgezet en gedetailleerd worden allerlei bijzonderheden vermeld.
Pas aan het einde van de negentiende, begin twintigste eeuw
zal hij hierin geëvenaard worden. De prestatie om al deze kennis
te vergaren vormt een bewijs voor de gedrevenheid en de grote deskundigheidvan Frederik bij zijn onderzoek.
Aristoteles en ook Albertus Magnus besteden wel aandacht aan de
vogeltrek maar doen dat op een gebrekkige manier en veel minder
uitgebreid.16 Zij kunnen wat dit aangaat, niet in de schaduw staan
van de keizer. Aristoteles dacht nog dat sommige vogels een winterslaap
hielden, een idee dat nog deels door Albertus Magnus werd
overgenomen. Beiden debiteerden hierbij een grove onwaarheid.
In een boek als De Arte zijn dergelijke kapitale fouten ondenkbaar.
Frederik stond in zijn denken over dit onderwerp zo ver af van de
Griekse filosoof, dat hij zich niet verwaardigde deze onzinnige
mening te weerleggen. Zelfs nog in 1555 publiceerde de Zweedse
humanist Magnus Olaus een afbeelding waarop te zien is dat vissers
naast vissen ook zwaluwen in een net uit het water trekken.17 Deze
zouden in de modder hebben overwinterd.
Omdat andere schriftelijke bronnen dan het werk van Aristoteles
ontbraken, moet de keizer zijn informatie zelf hebben ingewonnen.
Uiteraard zal hij daarbij vooral gebruik hebben gemaakt van
de waarnemingen van zijn valkeniers. Hij had ook regelmatig valkeniers
van elders te gast met wie hij kennis en ervaring deelde. Be-
kend is dat bij zijn contacten met Arabische vorsten de valkerij een
belangrijke rol speelde. Veel vogels kiezen bij hun trek naar Afrika
immers een route die over het Arabische Schiereiland loopt. Ook
trekken grote aantallen vogels via Gibraltar naar het zuiden. Gebieden
dus die onder Arabische heerschappij stonden. Het jagen op
trekvogels was en is (helaas) in die streken gebruikelijk. Deze Arabische
vogelvangers zullen goed op de hoogte zijn geweest van de
vogeltrek. Even verderop in dit hoofdstuk worden de activiteiten van
vogelvangers nog genoemd als een van de redenen waarom er bij de
trek minder vogels terugkeren dan er heen gaan.

I, 58-64 De redenen waarom vogels trekken
De beschrijving van de vogeltrek begint met vast te stellen dat die
tweeledig is: de najaarstrek heen en de voorjaarstrek terug. Bij de
najaarstrek verplaatsen vogels zich van koude naar warme streken
en bij de voorjaarstrek keren ze terug naar de plaats waar ze geboren
zijn. Er zijn meerdere redenen waarom vogels trekken. Ze vertoeven
het liefst in een gematigd klimaat, dat niet te warm en niet te koud
is, zoals (in Europa) het geval is in de lente en de zomer. Wordt
het in de herfst te koud dan trekken ze naar een warmere zuidelijke
streek.
Veel vogels kunnen namelijk bij het invallen van de koude moeilijk
aan voedsel komen. Wanneer ’s winters de grond bevriest,
kunnen vogels zoals de wulp, maar ook de ooievaar en de kievit,
niet meer met hun snavel in de grond prikken voor het zoeken van
voedsel. Ook verdwijnen, nadat de koude is ingevallen, de insecten
zoals kevers, wespen en bijen waar veel vogels van leven.19 Ze zijn
daarom gedwongen naar streken te trekken waar insecten in voldoende
mate aanwezig zijn. Ook koude regens en sneeuw zijn voor
veel vogels een reden om weg te trekken. Voor sommige vogels is het
wegvallen van de mogelijkheid zich te beschermen tegen gevaar een
reden voor de trek. Watervogels, die het water als vluchtplaats hebben,
kunnen wanneer het vriest niet meer wegduiken om aan een
gevaar te ontkomen.

Roofvogels trekken ook. Ze volgen hun prooivogels die naar het
zuiden trekken. Die ondernemen ze solitair vanwege de competitie
met andere roofvogels bij het verschalken van een prooi.Er wordt
op gewezen dat de trek niet alle vogelsoorten betreft. Voorbeelden
zijn vogels die matige vliegers zijn, zoals patrijzen en fazanten. Om
de koude te ontvluchten, verplaatsen zij zich slechts over korte afstanden
en trekken van de heuvels naar de dalen. Ook de fuut trekt
niet.20 Die vormt een uitzondering op de meeste watervogels die
goede vliegers zijn en wel trekken.
Hoewel die niet als zodanig benoemd worden, blijkt Frederik
weet te hebben van de Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring.
Hij schrijft:
In de tropen staat de zon tweemaal per jaar in het zenit. Het is
daar daarom per jaar twee keer lente, zomer, herfst en winter.
De verschillen zijn er echter niet groot. De zon beweegt zich
maximaal over 23 graden noordwaarts en zuidwaarts. In de
tropen zijn er vogels in overvloed. Zij trekken niet, maar verplaatsen
zich wel tussen hoger en lager gelegen streken, tussen
bergen en bossen, tussen koude meren en warme meren.

I, 65-79 De trek naar het zuiden
Uit De Arte blijkt ook een respect voor de wijsheid van de Natuur die
in de trek van vogels tot uitdrukking komt. De keizer deelt de opvatting
van Aristoteles dat dieren een ziel hebben:
Dankzij een eigenschap van hun ziel die ze in staat stelt de toekomst
te voorzien en een natuurlijk instinct bemerken vogels
bij het naderen van de zomer en de winter wanneer er geschikte
winden zullen opsteken. Ze bereiden zich zorgvuldig op de
trek voor. Ze vertrekken pas als ze zeker zijn dat ze over voldoende
kracht beschikken en hun verenkleed met de slag- en
staartpennen op orde is. Ze beginnen niet eerder aan de trek
dan wanneer de kou invalt en het voedsel daardoor schaars
wordt. Jonge en oudere vogels gaan naar de verzamelplaatsen
en wachten daar het geschikte moment van vertrek af. Een
vlucht trekvogels bestaat meestal maar uit een enkele soort
en vermenging met andere soorten vogels doet zich zelden of
nooit voor.
Een juiste windrichting bij vogeltrek naar zuidelijke streken is
een zeer belangrijke voorwaarde. Vogels mijden regenbuien en
onweer. Het is vooral de wind in de rug die zo’n lange tocht mogelijk
maakt. Daarom stoppen de vogels zodra de wind naar
het noorden draait direct met datgene waar zij mee bezig zijn.
Zelfs graan dat voor ze is neergestrooid, laten ze onaangeroerd
(afb. 6b). Ze lijden liever honger dan een geschikt moment voor
vertrek voorbij te laten gaan. Niet alle vogels trekken naar tropische
oorden. Sommige zijn al tevreden wanneer ze bij hun trek
naar het zuiden een milder klimaat aantreffen. Zwakkere trekvogels
zoals ooievaars en reigers vertrekken aan het einde van
de zomer om niet verrast te worden door het slechte weer. De
sterkste vogels zoals eenden en ganzen vertrekken het laatst.
Vogels die dichter bij de evenaar verblijven, beginnen later aan de
trek. Watervogels trekken volgens een V-formatie (afb. 6c). Kraanvogels
wisselen tijdens het vliegen in formatie van positie zodat
telkens een andere vogel de leiding neemt omdat te lang voorop
vliegen te inspannend is. Dit in tegenstelling tot de mening van
Aristoteles, die schrijft dat er steeds eenzelfde vogel aan de spits van
de formatie vliegt en als leider van de groep fungeert.  Het roepen
van ’s nachts trekkende vogels komt niet door de grote inspanning
die zij moeten leveren, zoals Aristoteles ten onrechte meent, maar
moet volgens Frederik worden opgevat als onderlinge aanvuringen.
De trek op de heenweg heeft een massaler karakter en verloopt
meer geordend dan bij de terugkeer het geval is, wanneer de groepen
kleiner en vaak ook gemengd van samenstelling zijn. Een reden
hiervoor is dat vogels die bij terugkomst willen gaan paren een hekel hebben aan grote groepen. Een ander onderscheid is dat op
de heenweg het reisdoel niet vastomlijnd is. De vogels strijken daar
neer waar het hén past wat betreft weersomstandigheden en beschikbaarheid
van voedsel. Bij de terugkeer daarentegen hebben ze
een duidelijk doel voor ogen en zoeken ze de streek op waar ze zijn
geboren.
Vogels onderbreken geregeld hun trek om uit te rusten, zich te
voeden en om op krachten te komen. Vogels van de zevende zone
zijn soms al tevreden met het bereiken van de zesde zone. Andere
gaan weer van de vijfde naar de vierde of derde zone. Vogels die het
slechts tegen de kou kunnen, trekken het verst naar het zuiden. Insecteneters
trekken naar plaatsen waar ook ’s winters nog insecten
aanwezig zijn, dus naar de tweede of eerste zone. Vogels nestelen
niet in hun winterverblijf omdat de jongen die dan geboren zouden
worden in het voorjaar nog niet sterk genoeg zijn om de terugreis te
aanvaarden.

I, 77-88 De terugkeer
Vogels keren terug naar hun geboortestreek vanwege de toenemende
hitte in de tropen en de drang zich te gaan voortplanten.
Een andere reden is dat er in het winterverblijf droogte optreedt,
zodat de grond hard wordt en meren en rivieren opdrogen,
waardoor er minder voedsel beschikbaar is.
Er gaan minder vogels terug dan er heen gingen omdat sommige
slachtoffer zijn geworden van roofvogels, ziekten en vogelvangers.
28 Bij het terugvliegen naar het noorden maken ze
wederom gebruik van een gunstige wind uit het zuiden. Bij een
vroege lente keren ze eerder terug; valt het voorjaar laat in, dan
wachten ze.29 Eerst arriveren de sterkste vogels zoals ganzen,
dan kraanvogels en ooievaars en ten slotte de kwartels en de
kleine vogeltjes. De vogels die in het najaar het laatst vertrokken,
keren in het voorjaar ook weer het eerste terug. De vogels
die het verst zijn verwijderd, vangen het vroegst aan met hun terugkeer. Dit wordt ook veroorzaakt doordat dicht bij de evenaar
de warmte zich het meest doet gevoelen. Eenmaal teruggekeerd
in hun geboortestreek bezetten ze soms jaren achtereen dezelfde
nesten. Men zou daarom denken dat vogels lang leven, maar
dat is niet het geval. Over de terugkeer doen vogels korter dan
over de heenweg. Tijdens de heenweg naar het zuiden is iedere
plaats die aan hun wensen wat betreft klimaat en voeding lijkt
te voldoen, geschikt. Ze kunnen daarom voor een tijd op een bepaalde
plaats blijven, voor ze weer verder trekken. Bij de terugweg
is het doel vast omschreven door de streek waar zij al eerder
hebben genesteld of zijn geboren en vliegen zij liefst recht
op dat doel af. Vogels zijn daarom bij hun terugkeer vermoeider
dan op de heenweg het geval is. Bij aankomst in Apulië in Zuid-
Italië bleken kraanvogels, die door valken waren geslagen, in
de flanken en de vleugeloksels met bloed te zijn besmeurd. Zij
waren zo zwak dat ze bijna niet meer konden vliegen en sommige
zelfs met de hand konden worden gevangen.
Frederik vervolgt met:
We hebben dit nooit eerder ergens vernomen. Tot op heden
weten we niet of het bloedverlies komt door onderlinge vechtpartijen
tussen de mannetjes om een vrouwtje, of omdat de
volwassen vogels de jongere willen verdrijven omdat die een
hinder kunnen zijn bij het nestelen en hun letsel toebrengen.
Het kan ook zijn dat ze zo vermoeid zijn dat het bloed uit hun
neusgaten vloeit en hun verenkleed besmeurt, of dat er nog een
andere oorzaak in het spel is. In koude streken zijn trekvogels,
zoals kraanvogels, ganzen, eenden, talrijker dan in gebieden
met een meer gematigd klimaat. In voorjaar en zomer is daar
veel water aanwezig, afkomstig van overvloedige regen- en
sneeuwval. Zomers is het niet zo warm dat de meren opdrogen,
bovendien regent het er dan ook veel. Als watervogels ruien en
daarom niet goed kunnen vliegen nemen ze hun toevlucht tot
het water. Roofvogels die in de rui zijn en om die reden niet
goed kunnen vliegen, gaan naar plaatsen waar zich veel vogels
bevinden, zodat ze toch een prooi kunnen bemachtigen. In
de gematigde derde, vierde en vijfde klimaatzone komen de
meeste standvogels voor, zoals patrijzen, fazanten en kieviten.
Zij kunnen zich voldoende aanpassen en zich op die manier
handhaven.

I, 89-91 De paarvorming bij de vogels
De paarvorming verenigt het mannelijke en vrouwelijke en wordt
gevolgd door de paring. De paarvorming wordt voorafgegaan
door het wegsturen van de grotere jongen die ze uit een eerder
nest hebben. (In het algemeen) verlaten de jongen hun ouders
niet voordat ze zich zelf kunnen voortplanten, tenzij hun ouders
ze dwingen zich te verwijderen. Dat is het geval bij roofvogels die
hun jongen verdrijven zo gauw deze kunnen vliegen. Niet-roofvogels
verdrijven hun jongen niet direct. Zolang de jongen nog
niet geslachtsrijp zijn, volgen deze hun ouders. Ze worden pas
verdreven als hun ouders opnieuw gaan nestelen. De jongen van
vogels die maar één nest per jaar hebben, volgen hun ouders het
hele jaar, hetgeen heel duidelijk te zien is bij de kraanvogels. Na
een jaar worden ze met vleugelklappen weggejaagd, zodat ze niet
het nest, de eieren of de kuikens kunnen schaden.
Dan volgt een passage over de bijdrage van het mannetje bij het
broeden en de zorg voor de jongen:
Er zijn grote verschillen in de mate waarin het mannetje het
wijfje bijstaat bij het broeden en de zorg voor de kuikens. Bij
de ‘zwarte bospauw’, de fazant en de kwartel bekommert het
mannetje zich niet om de jongen. Onder trekvogels staat het
mannetje het vrouwtje meestal bij in de zorg voor het broedsel
en de kuikens.
Als scherp waarnemer merkt de keizer nog op dat er individuen
onder vogels zijn die, hoewel ze de juiste leeftijd hebben, door een
bepaalde belemmering niet paren. Soms zijn de celibatair(e)s alleen,
maar het komt ook voor dat ze zich in groepen verenigen. In de
paartijd verandert de vogelzang. Aan de zang herkent het vrouwtje
haar eigen mannetje, maar ook hij weet wie zijn vrouwtje is (hoewel
ze niet zingt). De partners verlaten hun soortgenoten en trekken uitsluitend
met elkaar op. Overlijdt er een van hen dan zoekt de ander
een nieuwe. Is het een mannetje dat overblijft dan vecht hij  soms met een ander mannetje om weer een vrouwtje te veroveren.
Over de terugkeer van de roofvogels schrijft Frederik:
‘Roofvogels wachten in de buurt van hun gebruikelijke
nestplaats elkaar op. Vaak is waargenomen dat het mannetje
het eerst bij het nest arriveert en daar soms meerdere
dagen op het vrouwtje wacht. Soms wacht het vrouwtje het
mannetje op, maar het kan ook zijn dat ze gezamenlijk bij
het nest aankomen.’(afb. 10)

I, 92 Over de paring
‘We zouden de paring bij vogels bespreken indien dit ons
doel, het behandelen van de jacht met de valk, zou dienen.
Aangezien dit niet het geval is, bespreken we de paring niet.
Toch willen we niet nalaten erop te wijzen dat de Natuur in
haar ijver poogt de soort te behouden en te vermeerderen.
Individuen, mannelijk en vrouwelijk, ondervinden plezier bij
de paring. Vogels ervaren zo veel genoegen bij de paring
dat zelfs roofvogels die anders geen gezelschap van een
soortgenoot dulden, tijdens het broeden en de opgroei van
de kuikens verenigd blijven en zelfs in grote vriendschap
leven.’